“Het kind is belangrijker dan zijn curve” – Mies van Genderen over nuance in myopie-interventies
De wereld wordt steeds bijziender. Wat ooit begon met een simpel min-brilletje, is uitgegroeid tot een wereldwijd gezondheidsvraagstuk. Hoge myopie (sterker dan -6,00 dpt) verhoogt het risico op complicaties zoals netvliesloslating, glaucoom en maculadegeneratie. Myopie management is daarom sterk in opkomst: van speciale brillenglazen en nachtlenzen tot lage doseringen atropine en leefstijladviezen. Maar hoeveel weten we écht over de effecten? En riskeren we niet een medicalisering van kinderen die mogelijk nooit ernstige oogproblemen zouden krijgen?
Kinderoogarts prof. dr. M.M. (Mies) van Genderen werkt sinds 1992 bij Bartiméus en ziet vooral kinderen met zeldzame, erfelijke netvliesaandoeningen en cerebrale visusstoornissen. Sinds 2017 is zij bijzonder hoogleraar aan het UMC Utrecht en lid van de NOG-werkgroep die werkt aan de richtlijn Progressieve myopie op kinderleeftijd.

Ze staat kritisch tegenover het idee dat elk kind met myopie automatisch behandeld moet worden. “Er wordt soms gesproken van een ‘behandeling’, maar myopie verdwijnt niet. Ze wordt hoogstens minder. We moeten eerlijk blijven over wat interventies wél en níét doen.” Hoewel ze myopie management niet afwijst, vindt ze het essentieel om realistisch te communiceren over het effect. “Het maximale effect ligt vaak tussen 1,5 en 2 dioptrieën. Maar iemand die in plaats van -16,00 op -14,00 uitkomt, blijft hoog myoop. Of daarmee het risico op complicaties echt lager wordt, weten we simpelweg niet.”
Ook bij kinderen met milde myopie pleit ze voor terughoudendheid. “Een kind dat eindigt op -3,00 loopt nauwelijks risico op oculaire complicaties. Of je dat nu afremt of niet, het verschil is beperkt.”
“Achter die ogen en die aslengte zit ook gewoon een kind. Het welzijn van dat kind is altijd belangrijker dan zijn curve.” Goede voorlichting aan ouders is volgens Van Genderen cruciaal. Ouders moeten weloverwogen keuzes kunnen maken, zonder angstverhalen of commercieel gekleurde adviezen. “Zeggen dat een kind blind wordt als er nu niets gebeurt, is niet realistisch.” Ze wijst bovendien op ethische zorgen rond ongelijkheid in toegang tot zorg. “Veel interventies vallen buiten de basisverzekering en zijn dus niet voor iedereen bereikbaar. Die tweedeling is maatschappelijk ongewenst.”

Bijwerkingen van atropine, zoals lichtgevoeligheid en moeite met dichtbij kijken, kunnen het dagelijks functioneren van kinderen beïnvloeden. “Soms zijn extra brillen nodig, en dat maakt het nóg kostbaarder. Ook kan het leren moeilijker worden of zelfs gedrag veranderen. Ouders mogen daar niet aan voorbijgaan.”
“Het mag nooit zo zijn dat ouders uit angst handelen. Geen progressie? Dan ook geen interventie.” In de aankomende richtlijn is daarom vastgelegd dat alleen wordt gestart met myopie-interventie als er daadwerkelijk progressie is vastgesteld, op basis van een cycloplegische refractie én een toename van de aslengte boven een bepaalde drempel. Ook benadrukt ze: “Als een aanpak in het eerste jaar geen effect toont, of het kind ondervindt hinder, dan moet je durven stoppen of aanpassen.”
Benieuwd naar het volledige interview?
Lees het complete artikel in ons vakblad: Oculus 8 (2025)
